Logo Rijksoverheid - Ministerie van Financiën

Rijksbegrotingsvoorschriften 2019

1.35a - Begroting van verplichtingen-kasagentschap

Begroting van verplichtingen-kasagentschap .........voor het jaar 20.. (Bedragen x € 1.000)
t-2
stand
slotwet
t-1
Vastgestelde begroting
ontwerpbegroting
t t+1 t+2 t+3 t+4
Ontvangsten              
Ontvangsten moederdepartement              
Ontvangsten overige departementen              
Ontvangsten derden              
Rente ontvangsten              
Bijzondere ontvangsten              
               
Totaal ontvangsten              
               
               
Uitgaven              
Personele uitgaven              
- waarvan eigen personeel              
- waarvan inhuur externen            
- waarvan overige personele kosten            
Materiële uitgaven              
- waarvan apparaat ICT              
- waarvan bijdrage aan SSO’s              
- waarvan overige materiele kosten              
Bijzondere uitgaven              
               
Totaal uitgaven              
Totaal verplichtingen              
               
Saldo van ontvangsten en uitgaven              
Open tabel in nieuwe pagina
Overzicht doelmatigheidsindicatoren
  t-2
Slotwet
t-1
Vastgestelde
begroting
t t+1 t+2 t+3 t+4
Omschrijving Generiek Deel              
Kostprijzen per product (groep)              
Tarieven/uur              
Omzet per productgroep (pxq)              
FTE-totaal(excl. externe inhuur)              
Saldo van ontvangsten en uitgaven (%)              
               
Kwaliteitsindicator 1              
Kwaliteitsindicator 2              
Omschrijving Specifiek Deel              
               
Inspectie Diensten              
Kostprijs/product:              
Inspectie              
Vergunningverlening              
Monsterafname              
Advies              
Planning eerstvolgende doorlichting
Open tabel in nieuwe pagina

Toelichting

  1. Er wordt gestreefd naar een zo kort en bondig mogelijke beschrijving. Voor het totale aantal pagina’s per agentschap geldt een indicatieve norm van 5 bladzijden met een maximum van 10. Het betreft hier een uitgangspunt waar met instemming van het Ministerie van Financien kan worden afgeweken.

  2. Ontvangsten:

    • Ontvangsten moederdepartement: ontvangsten moederdepartement, inclusief de daaronder vallende verplichtingen- kasagentschappen en/of SSO’s.

    • Ontvangsten overige departementen: ontvangsten van alle departementen niet zijnde het moederdepartement, inclusief de bij deze departementen horende verplichtingen- kasagentschappen en/of SSO’s.

    • Ontvangsten derden: alle overige ontvangsten niet afkomstig van moederdepartement, overige departementen en de hierbij horende agentschappen en ZBO’s. Derden zijn bijvoorbeeld ZBO’s, burgers (leges) en bedrijfsleven (retributies).

     
  3. Voor de definities van personele en materiële uitgaven wordt verwezen naar model 1.34b.

  4. Onder ‘totaal verplichtingen’ wordt opgenomen de financiële verplichtingen zijnde de verplichtingen, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk, tot het (in de toekomst) doen van een kasbetaling aan een wederpartij of aan een andere dienst. Wanneer de totale verplichtingen hoger zijn dan de totale uitgaven, dan dient toegelicht te worden waardoor dit wordt veroorzaakt.

  5. Posten die niet separaat zijn vermeld in dit model maar die van belang zijn voor een goed inzicht in de ontvangsten, de uitgaven of het saldo van ontvangsten en uitgaven worden apart zichtbaar gemaakt.

  6. In de toelichting wordt minimaal opgenomen:

    • De ontvangsten verdeeld naar productgroepen op basis van een p*q-onderbouwing (prijs x hoeveelheid);

    • een overzicht en toelichting van de investeringen die worden gedaan. Investeringen zijn die uitgaven aan duurzame kapitaalgoederen die een levensduur hebben van meer dan één jaar (Zie voor een overzicht van dergelijke goederen de Regeling Agentschappen, de toelichting op artikel 27, tweede lid, onder c);

    • Indien er sprake is van een negatief begroot saldo van ontvangsten en uitgaven, een toelichting hierop. Hierbij wordt ten minste aangegeven of het negatieve saldo gecompenseerd wordt door de kasreserve en welke maatregelen worden genomen om toekomstige negatieve saldi te voorkomen;

    • Een specificatie en toelichting van de bijzondere ontvangsten en uitgaven die meer dan 10% van de totale post bedragen.

     
  7. De meerjarige doorwerking (t tot t+4) van elke taakstelling wordt eenmalig toegelicht onder de post Omzet moederdepartement c.q. Omzet overige departementen. Hierbij wordt aangegeven op welke manier deze taakstelling(en) uitgevoerd word(t)(en). In de volgende begroting is de meerjarige reeks overeenkomstig verlaagd en zal de taakstelling niet meer apart zichtbaar zijn. Het is niet noodzakelijk om de toelichting op de taakstelling zowel bij het beleidsartikel van het moederdepartement als bij de agentschapsparagraaf op te nemen. Indien mogelijk kan een verwijzing worden gemaakt vanuit de agentschapsparagraaf naar de toelichting op het desbetreffende beleidsartikel. Deze werkwijze is allen mogelijk bij verplichtingen- kasagentschappen die volledig onder het moederdepartement vallen. Wanneer door een opdrachtgever van een ander departement een taakstelling wordt opgelegd aan een agentschap van het moederdepartement, kan niet verwezen worden naar de toelichting bij het andere departement. In die gevallen is het dus wel noodzakelijk om in de agentschapsparagraaf een toelichting op te nemen. De maatregelen die genomen worden om de taakstelling in te vullen worden toegelicht in het eerste jaar dat de taakstelling zichtbaar wordt in de meerjarenreeks. Eventuele afwijkingen c.q. nieuwe maatregelen in de daarop volgende jaren worden in het desbetreffende jaar (wederom) toegelicht te worden.

 

NB: Bijzondere ontvangsten en uitgaven vloeien voort uit normale bedrijfsuitoefening, maar op grond van aard of omvang of het incidentele karakter worden deze apart gepresenteerd binnen het resultaat uit normale bedrijfsuitoefening (bijvoorbeeld een reorganisatie). Buitengewone ontvangsten en uitgaven (ontvangsten en uitgaven niet voortvloeiend uit de normale bedrijfsuitoefening) komen zelden voor en zijn daarom niet in het standaardmodel opgenomen.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren

  1. Het overzicht bestaat uit een generiek deel en een specifiek deel. Afhankelijk van het type agentschap bestaat de invulling van de doelmatigheidsparagraaf uiteindelijk uit een combinatie van generieke en specifieke doelmatigheidsindicatoren.

  2. Het generieke deel bevat de meest gangbare doelmatigheidsindicatoren in meerjarig perspectief, en is voor alle verplichtingen- kasagentschappen van toepassing. In het generieke deel zijn de volgende indicatoren opgenomen:

    1. De (gemiddeld gewogen) kostprijs per product dan wel productgroep, waarbij er (in samenspraak met de departementale FEZ) gezocht dient te worden naar het juiste aggregatie-niveau;

    2. Het (gemiddeld gewogen) tarief per uur (er wordt in principe gerapporteerd op basis van indices, maar er mag ook gerapporteerd worden op basis van reële tarieven, zodat er zicht wordt geboden op de reële tarief-ontwikkeling);

    3. De totale ontvangsten per product(groep), aansluitend bij het aggregatieniveau zoals dat bepaald is bij a;

    4. Het totaal aantal fte werkzaam bij het agentschap per 31 december van het jaar, exclusief externe inhuur;

    5. Het saldo van ontvangsten en uitgaven als percentage van de totale ontvangsten.

     
  3. Ieder verplichtingen- kasagentschap neemt in het generieke deel van de tabel ten minste twee kwaliteitsindicatoren op. De minimaal twee te kiezen indicatoren worden bij voorkeur ontleend aan bestaande prestatieafspraken tussen eigenaar, opdrachtgevers, en klanten. Voorbeelden van kwaliteitsindicatoren zijn: klanttevredenheid, doorlooptijd, behandeltijden, percentage toegewezen bezwaarschriften, beschikbaarheid/bereikbaarheid organisatie, etc.

  4. Het specifieke deel in de tabel is bestemd voor die verplichtingen- kasagentschappen die tot een bepaald subtype gerekend kunnen worden. Het bevat doelmatigheidsindicatoren die gerelateerd zijn aan de specifieke bedrijfsprocessen van de organisatie:

  5. Voor inspectiediensten (Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit, Inspectie van de Leefomgeving en Transport, en Agentschap Telecom) is er sprake van standaardisatie. Deze diensten nemen als kostprijs het (gemiddeld gewogen) uurtarief per product op. Voorbeelden van producten van inspectiediensten zijn: inspecties, vergunningverlening, monsterafname, en advies.

  6. Voor de categorie ICT-diensten (Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten, IVENT, Gemeenschappelijk Dienstencentrum ICT, P-Direkt) is eveneens een standaardisatie gemaakt van de doelmatigheidsindicatoren. Deze diensten nemen een (gewogen gemiddelde) kostprijs voor beheertaken op. Als te onderscheiden beheertaken worden genoemd: werkplek-, infrastructuur-, en applicatiebeheer. Indien van toepassing neemt een ICT-dienst ook een (gewogen gemiddelde) kostprijs/uurtarief op voor ontwikkeltaken.

  7. Voor subsidiediensten (RVO.nl, Agentschap SZW, Dienst Uitvoering Onderwijs) is een standaardisatie gemaakt. Deze diensten vullen in plaats van de kostprijs per product, de uitvoeringskosten per behandelde aanvraag in. Het betreft hier het gewogen gemiddelde van de uitvoeringskosten bezien over alle subsidieregelingen.

  8. Een getal op zich krijgt pas meerwaarde en diepgang als het in perspectief wordt geplaatst. Daarom is een goede toelichting op de doelmatigheidsindicatoren van het grootste belang. In de toelichting worden de voor de agentschappen meest betekenisvolle variabelen besproken. Aangegeven wordt waarom deze variabelen het meest inzicht geven in de doelmatigheid van het agentschap. Naar keuze van het agentschap kunnen deze getallen absoluut of geïndexeerd worden opgenomen.

  9. Gedacht kan worden aan percentage overhead, verhouding tussen directe en indirecte kosten, declarabiliteit, percentage externe inhuur, ziekteverzuim, wijzigingen in het ‘productieproces’ bijvoorbeeld als gevolg van toenemende complexiteit van regelgeving, wijzigingen als gevolg van een toe- of afname van de vraag naar producten of diensten, aantal locaties per organisatie-eenheid, nieuwe wetgeving, personeelsopbouw, etc.

  10. NB: Bij indexering wordt conform de reguliere jaarlijkse loon- en prijsbijstellingstabellen gecorrigeerd.