Logo Rijksoverheid - Ministerie van Financiën

Rijksbegrotingsvoorschriften 2018

De departementale begroting

Artikelen 2.1, eerste en tweede lid, 2.2, 2.3, 2.4 en 2.5 van de Comptabiliteitswet 2016

Bepalingen

  1. Een begrotingswetsvoorstel bestaat uit de volgende onderdelen:

    1. het wetslichaam (conform model 1.10, 1.11, 1.12, 1.13 of 1.14);

    2. de begrotingsstaat (conform model 1.20, 1.21, 1.22, 1.23, of 1.24);

    3. de memorie van toelichting (conform model 1.30);

    4. de voorgeschreven bijlagen (conform model 1.36, model 1.41, model 1.42, model 1.43, en model 1.44.);

    5. andere bijlagen, indien de Minister van Financiën daarmee heeft ingestemd.

     
  2. Voor zowel het budgettair-voorbereidende traject als het wetgevende traject is het Tijdschema leidend.

  3. Het jaar waarop de begroting betrekking heeft, wordt aangeduid als het jaar t.

 

Toelichting

Een begroting wordt in de vorm van een wetsvoorstel aan de Staten-Generaal voorgelegd. Met het vaststellen van de ontwerpbegroting als wet verlenen de Staten-Generaal aan de betrokken minister autorisatie tot het doen van de in de begroting opgenomen uitgaven en verplichtingen voor het betreffende begrotingsjaar en tot het invorderen van de opgenomen ontvangsten.

NB: De autorisatie is niet van toepassing op de premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten.

De begrote en nadien door de Staten-Generaal vastgestelde verplichtingen- en uitgavenramingen gelden als maxima (artikel 2.3, vierde lid van de Comptabiliteitswet 2016), die zonder nadere autorisatie van de Staten-Generaal (b.v. via een suppletoire begroting) niet mogen worden overschreden. Omdat de begrotingsramingen bij de ontvangstenartikelen uit autorisatieoogpunt niet als maxima, noch als minima worden beschouwd, heeft de autorisatie van de ramingen voor de ontvangsten een ander karakter. Wel worden uiteindelijk de begrotingsramingen bij de ontvangsten bij de zgn. Slotwet (de laatste suppletoire begroting in een jaarcyclus) aangepast aan de realisatie, zodat er formeel in het departementale jaarverslag per begrotingsartikel geen over- of onderschrijding resteert. Autorisatie door de Staten-Generaal vindt plaats op het niveau van een begrotingsartikel voor het betreffende begrotingsjaar (artikel 2.3, derde lid van de Comptabiliteitswet 2016).

Een departementale begroting wordt gevormd door de onder de bepalingen opgesomde onderdelen. De departementale begroting is op te delen in twee onderdelen: het wetslichaam (met als bijlage de begrotingsstaat) en de memorie van toelichting. Het wetslichaam bevat de wetsartikelen. Deze artikelen regelen de vaststelling van de uitgaven en de ontvangsten van de departementale begrotingen alsmede in voorkomende gevallen die van de begrotingen van de fondsen. Na vaststelling van de wet, maakt de begrotingsstaat integraal deel uit van de wet. De memorie van toelichting maakt wel deel uit van het begrotingswetsontwerp, maar maakt formeel geen deel uit van de wet. De memorie van toelichting wordt daarom niet in het staatsblad geplaatst.