Logo Rijksoverheid - Ministerie van Financiën

Rijksbegrotingsvoorschriften 2018

3.54 - Memorie van toelichting

Model:

Memorie van toelichting (Slotwet)

MEMORIE VAN TOELICHTING

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikelen 1 tot en met 3

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 afzonderlijk bij wet vastgesteld en ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 20.. wijzigingen aan te brengen in:

  1. de departementale begrotingsstaat van het Ministerie van …… ;

  2. de begrotingsstaat inzake de agentschappen van dit ministerie;

  3. de begrotingsstaat van het begrotingsfonds…….

 

 

De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht.

 

De Minister van ……….

(ondertekening)

 

B. ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN (SLOTVERSCHILLEN)

Toelichting

  1. Een inhoudsopgave wordt opgenomen als de omvang van de memorie daar aanleiding toe geeft. In dat geval geeft de inhoudsopgave een compleet beeld van de onderdelen van de memorie van toelichting.

  2. Bij een wijzigingswetsvoorstel wordt geen algemene toelichting opgenomen. De toelichting bij de slotverschillen 1) in de begroting(sstaat) wordt opgenomen in onderdeel B van de memorie van toelichting (de begrotingstoelichting).

  3. De toelichting bij de wetsartikelen 1 en 3 (zie model 3.50) kan kort worden gehouden. Volstaan kan worden met de opgenomen standaardtekst.

  4. Wetsartikel 4: Het (standaard-)wetsartikel inzake de euro als waarde-eenheid van de begroting (zie model 3.50) behoeft geen toelichting.

  5. Wetsartikel 5: In geval er in het wetsvoorstel (zie model 3.50) een specifiek wetsartikel wordt opgenomen - los van de wetsartikelen die zijn voorgeschreven in deze regeling - wordt dat wetsartikel toegelicht.

  6. Wetsartikel 6 (zie model 3.50) behoeft geen toelichting.

  7. De minister ondertekent de memorie van toelichting na onderdeel A., dus na de toelichting bij de wetsartikelen (en niet na de toelichting bij de begrotingsartikelen).

  8. Aan de slotwetverschillen wordt in de toelichting bij de slotwet afzonderlijk aandacht besteed. Gelet op het karakter van de slotwet kunnen een overzichtstabel, per beleidsartikel een tabel 'Budgettaire gevolgen van beleid' en een verdiepingshoofdstuk achterwege blijven. Ook de presentatie van een meerjarige doorwerking in de begrotingstoelichting is niet zinvol.

  9. De beleidsmatige mutaties en technische mutaties groter of gelijk aan de ondergrenzen in onderstaande staffel worden op het niveau van de financiële instrumenten (en eventueel artikelonderdeel) toegelicht. Daarbij wordt per mutatie de aard en de oorzaak van de mutatie aangegeven, waarbij zoveel mogelijk met PxQ gegevens wordt onderbouwd.

 
Omvang begrotingsartikel
(stand ontwerpbegroting)
in € miljoen
Beleidsmatige mutaties
(ondergrens in € miljoen)
Technische mutaties
(ondergrens in € miljoen)
< 50 1 2
=> 50 en < 200 2 4
=> 200 < 1000 5 10
=> 1000 10 20

10.Beleidsmatige mutaties na indiening tweede suppletoire begroting

De slotverschillen bevatten in beginsel geen beleidsmatige mutaties die tot een overschrijding van het geautoriseerde verplichtingen-en/of uitgavenbudget op begrotingsartikelniveau hebben geleid. De slotverschillen betreffen in beginsel slechts mutaties van boekhoudkundige aard, dan wel technische uitvoeringsmutaties, die al dan niet naar aanleiding van controlebevindingen doorgevoerd moeten worden. Autorisatie hiervan na afloop van een jaar (machtiging achteraf) is minder bezwaarlijk te achten. De slotverschillen zijn bedoeld om laatstbedoelde mutaties te verwerken, zodanig dat per begrotingsartikel de raming aan de realisatie gelijk wordt gesteld. In dit verband valt te denken aan:

  • mutaties uit hoofde van loon- en prijsbijstelling aangebracht conform de uitgangspunten die de Minister van Financiën hanteert bij de toedeling;

  • desalderingen, die nodig zijn omdat ontvangsten niet in mindering van bezwaar mogen worden geboekt op de uitgaven;

  • overboekingen tussen artikelen of tussen begrotingen die voortvloeien uit een tijdens debegrotingsuitvoering gebleken noodzaak om verplichtingen en/of uitgaven elders te verantwoorden dan waar deze oorspronkelijk begroot waren bij gelijkblijvende beleidsuitgangspunten;

  • mineure kasverschuivingen die het gevolg zijn van een ander betalingstempo van lopende verplichtingen dan eerder geraamd;

  • mutaties bij open-einde regelingen als gevolg van wijzigingen in exogene factoren. Er wordt bijvoorbeeld een groter beroep op een regeling gedaan dan voorzien als gevolg van de economische situatie;

  • andere dan beleidsmatige mutaties in de verplichtingenstand die het gevolg zijn van de controlebevindingen van de betrokken controle-instanties.

 

Mochten er, nadat de tweede suppletoire begroting bij de Staten-generaal is ingediend, nog beleidsmatige mutaties optreden die tot een overschrijding van het geautoriseerde verplichtingen- en/of uitgavenbudget op begrotingsartikelniveau leiden, dan dienen die mutaties zo spoedig mogelijk via een nota van wijziging in de tweede suppletoire begroting te worden verwerkt.

Indien dat, gelet op de stand van de behandeling door de Tweede Kamer van die suppletoire begroting, niet meer mogelijk is, dan dienen die beleidsmatige mutaties zo spoedig mogelijk doch uiterlijk drie dagen voor aanvang van het kerstreces, (zie tijdschema) per brief door de betrokken minister aan de Eerste Kamer én Tweede Kamer te worden gemeld. In deze veegbrief wordt een overzicht gegeven van de beleidsmatige mutaties in de uitgaven en verplichtingen[1] en de beleidsmatige ontvangstenmutaties groter of gelijk aan € 5 miljoen die op dat moment bekend zijn of geacht te moeten zijn en die worden verwerkt in de slotverschillen.

Indien de beleidsmatige verplichtingen- en uitgavenmutaties niet schriftelijk aan de Eerste Kamer en Tweede  Kamer worden gemeld, dan wordt die verplichting of uitgave aangemerkt als onrechtmatig. Indien dit leidt tot overschrijding van een rapporteringstolerantie dan dient de minister daarover te rapporteren in de bedrijfsvoeringsparagraaf van het departementale jaarverslag van het betreffende begrotingsjaar. Het niet tijdig versturen van deze brief leidt tot een financieel beheer opmerking.

Bovenstaande laat onverlet dat vanuit perspectief van informatievoorziening van de betreffende minister aan de Staten-Generaal ook andere  politiek relevante wijzigingen na tweede suppletoire begroting aan de Eerste Kamer en Tweede Kamer dienen te worden gemeld. Deze dienen dan meegenomen te worden in de brief als afzonderlijke categorie “informatievoorziening over andere relevante wijzigingen”. Dergelijke wijzigingen zijn niet van invloed op de rechtmatigheid van de bijbehorende verplichting of uitgave.

Indien er na veegbrief in december nog beleidsmatige mutaties optreden met betrekking tot het verplichtingenbudget dan dienen deze verplichtingen uiterlijk eind februari (zie Tijdschema) per brief aan de Eerste Kamer en Tweede Kamer worden gemeld. Beleidsmatige verplichtingen die eigenlijk in de veegbrief van december opgenomen hadden moeten worden, worden niet rechtmatig door deze alsnog in de veebrief van februari op te nemen. Het niet tijdig verzenden van deze tweede veegbrief leidt tot een financieel beheer opmerking.

In de toelichting bij de slotverschillen wordt afzonderlijk aandacht besteed aan de beleidsmatige mutaties en wordt verwezen naar de eerder aan de Tweede Kamer en de Eerste Kamer gezonden brief/brieven.

11. NB. Voor de niet-departementale begrotingen wordt voor de teksten voortgebouwd op de modellen van de begrotingen (zie modellen onder Begroting)

[1] Ter verduidelijking: voor beleidsmatige uitgaven en beleidsmatige verplichtingen geldt geen drempelbedrag voor de melding aan de Eerste en Tweede Kamer.

  1. 1)

    op basis van artikelen 1.1 en 2.30 van de Comptabiliteitswet 2016 en de Begrippenlijst