Logo Rijksoverheid - Ministerie van Financiën

Rijksbegrotingsvoorschriften 2018

1.33b - Rol en verantwoordelijkheid

Model:

Voor dit onderdeel is geen standaardmodel voorgeschreven.

Toelichting

Algemeen

Welke rol speelt de minister bij het bereiken van het doel? Hier moet duidelijk worden waar de minister zelf verantwoordelijk voor is en wat zijn belangrijkste instrumenten zijn. Er hoeft dus niet uitgelegd te worden waarom een minister ergens niet voor verantwoordelijk kan worden gesteld en waar dat aan ligt.

Hier wordt ook aangegeven op welke wet- of regelgeving de verantwoordelijkheid en rol is gebaseerd.

Voor de keuze van de rol van de minister zijn vier typologieën van toepassing. Aangezien het gaat om typologieën zal de rol van de minister in veel gevallen niet geheel één-op-één aansluiten bij een van de beschreven rollen maar kan wel de meest van toepassing zijnde rol kunnen worden bepaald (zie ook hieronder onder informatieve tekst onder 1).

Indien er sprake is van verschillende rollen binnen een beleidsartikel dan worden de belangrijkste rollen achtereenvolgens kort besproken met verwijzing naar de relevante instrumenten per rol.

Ook bij beleidsinformatie geldt dat soorten beleidsinformatie naast elkaar kunnen voorkomen binnen één artikel. In de Rijksbegroting worden, afgezien van evaluaties, drie soorten beleidsinformatie onderscheiden:

  • Indicatoren: deze maken de beleidsinzet van de minister afrekenbaar. Wat mag er van de minister worden verwacht gelet op de beleidsinzet en/of budget?

  • Beleidsrelevante kengetallen: deze illustreren de gewenste beleidsrichting, de context van het beleid en de urgentie van het betreffende beleidsterrein.

  • PxQ informatie: cijfers over P (prijs) maal Q (hoeveelheid) geven een onderbouwing van de financiële raming en de hoeveelheid 'productie' die er tegenover staat.

 

Beleidsinformatie kan worden opgenomen onder zowel 'rol en verantwoordelijkheid' (model 1.33b) als deze betrekking heeft op de algemene doelstelling of onder de 'toelichting op de financiële instrumenten' (model 1.33e) als deze samenhangt met een bepaald beleidsinstrument.

Over het algemeen geldt dat beleidsrelevante kengetallen worden opgenomen onder rol en verantwoordelijkheid (model 1.33b) en P*Q informatie gerelateerd kan worden aan bepaalde beleidsinstrumenten en dus onderdeel vormt van de toelichting op de financiële instrumenten (model 1.33e).

Indicatoren worden voorzien van een concrete streefwaarde en worden alleen in de begroting opgenomen wanneer sprake is van een zogenaamde 'uitvoerende rol' of als er, in de rol van financieren of stimuleren, sprake is van prestatie-overeenkomsten waar financiële consequenties aan worden verbonden.

Indien in dit onderdeel indicatoren en/of kengetallen wordt opgenomen, wordt voor elke indicator/kengetal wordt de bron aangegeven waarop dit gegeven gebaseerd is. Indien mogelijk worden bestanden met kwantitatieve beleidsinformatie als open data toegankelijk gemaakt via een hyperlink.

Indien kengetallen of P*Q-informatie al via andere documenten aan de Kamer wordt verstrekt dan kan hier met een korte toelichting naar worden verwezen.

Informatieve teksten

1. VOOR HET BEPALEN VAN DE VAN TOEPASSING ZIJNDE ROL

Hieronder staan de vier typische rollen beschreven. Het gaat om stimuleren, regisseren, financieren en (doen) uitvoeren. Deze rollen onderscheiden zich op basis van vier aspecten. De rol van de minister zal in veel gevallen niet geheel één-op-één aansluiten bij een van de beschreven rollen omdat het gaat om typologieën. Wel kan op basis van de vier aspecten de meest van toepassing zijnde rol worden bepaald.

Kenmerken van de
4 typologieën
Beleidsinzet Invloed minister Financiële
instrumenten
Sturingswijze
Stimuleren Beoogt bijsturing in een bepaalde gewenste richting (meer/minder/beter). Voor de gewenste uitkomst is duidelijk meer nodig dan alleen bijdrage van de minister. Sprake van het geven van een financiële impuls. Kan sprake zijn van sturing op prestatieafspraken maar ook van een ongebonden financiële bijdrage.
Financieren Instandhouding of faciliteren van stelsel of systeem d.m.v. geld. De minister voert niet zelf uit. De bijdrage van de minister is essentieel voor voortbestaan stelsel of systeem. Financiële instrumenten zijn het meest belangrijk. De nadruk ligt niet op een overeenkomst met jaarlijkse prestatieafspraken waar op wordt afgerekend. Wel eventueel handhaving d.m.v. inspectie en/of toezicht.
Regisseren Instandhouding of faciliteren van stelsel of systeem. De minister is coördinerend. De financiële bijdrage van het ministerie kan aanzienlijk zijn maar dit is niet het belangrijkste instrument. De nadruk ligt op instrumenten anders dan begrotingsgeld zoals wet- en regelgeving, premies en tarieven. Geen overeenkomst met jaarlijkse prestatieafspraken waar op wordt afgerekend. Wel handhaving d.m.v. inspectie en toezicht.  
(doen) Uitvoeren Uitvoering van een overheidstaak. De minister is zelf uitvoerder of opdrachtgever. De inzet van het ministerie is nauwelijks weg te denken binnen het beleidterrein. Begrotingsgeld wordt besteed aan de uitvoering door het kernministerie zelf (apparaatsuitgaven) of aan de uitvoering door derden (programma-uitgaven). Daarnaast kunnen ook niet-financiële instrumenten worden ingezet. Overeenkomst met jaarlijkse productieafspraken waar op wordt afgerekend in aanvulling op toetsende rol d.m.v. inspectie en toezicht.
Open tabel in nieuwe pagina

2. BEPALEN RELEVANTE BELEIDSINFORMATIE

In de Rijksbegroting worden, afgezien van evaluaties, drie soorten beleidsinformatie onderscheiden:

  1. Indicatoren
    Een indicator geeft inzicht in de mate waarin beleid succesvol is uitgevoerd en of het de verwachte resultaten oplevert. Indicatoren zijn in principe gewenst als er veel invloed is op het beleidsterrein, de minster actief is en er voornamelijk gebruik wordt gemaakt van financiële instrumenten. Als een minister een indicator in de begroting zet dan is hij/zij ook afrekenbaar op de verwachte resultaten die in de vorm van een streefwaarde en/of doelstelling worden opgenomen.

  2. Beleidsrelevante kengetallen
    Beleidsrelevante kengetallen hebben betrekking op het functioneren van het stelsel of systeem waarvoor de minister verantwoordelijk is, maar weinig directe invloed op heeft. Deze worden opgenomen als dit politiek relevant wordt geacht. Als er sprake is van een stimulerende rol (dus relatief weinig invloed van de minister maar wel een beleidsdoel) dan moet een kengetal iets zeggen over de gewenste maatschappelijk toestand waaraan het beleid naar verwachting bijdraagt.

  3. PxQ
    Cijfers over P (prijs) maal Q (hoeveelheid) geven een onderbouwing van de financiële raming en de hoeveelheid ‘productie’ die er tegenover staat. Deze Q kan uit van alles bestaan (activiteiten, gebruikers, ontvangers, hectares areaal etc.) . De keuze voor het al dan niet opnemen van PxQ informatie is afhankelijk van twee overwegingen: de grootte van het te onderbouwen bedrag (in relatie tot omvang artikel en begroting) en de vraag of er een bruikbare Q is.

 

Om te bepalen of er beleidsinformatie moet worden opgenomen als onderdeel van het begrotingsartikel wordt per beleidsterrein gekeken naar (1) de relatie tussen geld en resultaat en (2) de invloed van het Rijk op het beoogde resultaat.

Beide aspecten bepalen is vaak een ingewikkelde aangelegenheid en kan het beste met behulp van een directieoverstijgende blik. Onderstaande tabel geeft een indicatie over welke beleidsinformatie passend is om op te nemen bij een artikel. Zij is bedoeld als hulpmiddel om een beredeneerde keuze te maken.

Bepalen type beleidsinformatie Relatie tussen geld en resultaat
+ -
Invloed van Rijk op beoogd resultaat + Indicatoren Beleidsrelevante kengetallen
- P*Q informatie  Waarde beleidsinformatie beperkt

Om beide vragen te beantwoorden gelden de volgende hulpvragen als leidraad:

  1. De invloed van het Rijk op het beoogde resultaat (ja = -; nee = +)

    1. Zijn er andere bestuurslagen primair verantwoordelijk voor het beleidsterrein?

    2. Speelt de private sector een grote rol?

    3. Is het beleidsterrein een internationaal speelveld?

    4. Is het beleidsterrein afhankelijk van economische, sociaal-maatschappelijke of technologische ontwikkelingen die zich moeilijk laten sturen door de Rijksoverheid?

     
  2. De relatie tussen geld en resultaten (ja = -; nee = +)

    1. Zou bij een grote vermindering van het budget (bijvoorbeeld -25%) de beleidsdoelstelling wijzigen?

    2. Hangen de kosten van het beleidsterrein sterk samen met autonome factoren zoals bevolkingsgroei, conjunctuur, CAO onderhandeling etcetera (dit in tegenstelling tot beleidsinhoudelijke keuzes)?

    3. Wordt er vooral geld overgemaakt dat de ontvangende partij naar, op basis van hun eigen expertise, mag besteden?

    4. Staat de dialoog over beleidsresultaten grotendeels los van het gesprek over geld?

     
 

Beleidsinformatie die wel wordt verzameld en gebruikt door het departement, maar die niet naar voren komt als relevant om op te nemen als onderdeel van het begrotingsartikel, kan in de vorm van open data beschikbaar worden gesteld. Hier kan met een link naar worden verwezen bij dit onderdeel of bij de toelichting op de financiële instrumenten (model 1.33e).